Persistent identifiers

Stel vast welk hoe jullie unieke identificatiecodes in willen zetten om vindbaarheid en de identificatie van digitale objecten te garanderen.

Wat verstaan we onder een persistent identifier (PID)?

Een PID is een unieke en permanente identificatiecode van een digitaal object, die op een afgesproken plaats wordt geregistreerd. Zo kun je ervoor zorgen dat de verwijzing naar een digitaal object (een scan, audiovisueel bestand, metadatarecord, etc.) altijd blijft werken. Ook als de bewaarlocatie of het webadres van het digitale object verandert. 

Een PID bestaat uit twee componenten: de identificatiecode, en een dienst die het object, zelfs als de locatie na verloop van tijd verandert, lokaliseert. In praktijk zijn dit de PID en de ‘resolver’. PID’s zijn een belangrijk instrument om de vindbaarheid en identificatie van digitale objecten te garanderen.

Verschillende soorten PID’s

Er bestaan verschillende soorten PID’s. Als je de PID-wijzer doorloopt, kom je vanzelf uit bij de PID die jouw organisatie het beste past. De PID-wijzer is ontwikkeld voor de systemen die in Nederland het meest worden gebruikt:

Bij de best-practices van de PID-wijzer kun je meer lezen over de keuzes die andere organisaties maakten bij het implementeren van PID’s. Deze website bevat ook een overzicht van andere PID-systemen.

Ontwikkel beleid

Het is van belang dat de organisatie beleid ontwikkelt met betrekking tot het toekennen van persistent identifiers in zijn collectie(s). In gevallen waarbij de ontvangen objecten al zijn voorzien van een persistent identifier moet de organisatie besluiten of er nog een eigen persistent identifier moet worden toegekend. Om risico’s te verminderen dient de persistent identifier los van het digitale object te worden opgeslagen. Leg daarnaast vast hoe jullie omgaan met eventuele meerdere (soorten) PID’s per object.

Wat is het risico als we geen persistent identifiers toekennen? 

Het door de tijd heen kunnen vinden en identificeren van een digitaal object is essentieel voor duurzame toegang. Zonder persistent identifiers kan de toekomstige vindbaarheid en identificatie van digitale objecten niet gegarandeerd worden.

Welke vragen kunnen wij onszelf stellen? 

  • Heeft onze organisatie maatregelen bepaald om aan ieder digitaal object in het digitaal archief een persistent identifier toe te kennen?
  • Heeft onze organisatie besloten welke persistent identifier methodologie het beste bij ons domein past?
  • Heeft onze organisatie besloten hoe wordt omgegaan met persistent identifiers van anderen die al aan de digitale objecten zijn toegekend?
  • Maken de toegekende persistent identifiers deel uit van de zoekfaciliteiten voor digitale objecten?
  • Hoe gaan jullie om met meerdere persistent identifiers per object?
  • Wat doen jullie als het object wijzigt, de locatie van het object wijzigt, of wanneer het object aan een ander archief wordt overgedragen?
  • Hoe informeren jullie je gebruikers over de aanwezigheid van en het gebruik van PID’s?
hoe verwoorden andere instellingen 'Persistent identifiers'

Beeld en Geluid werkt momenteel met interne identifiers, die zodanig zijn vormgegeven dat ze intern uniek zijn en persistentie garanderen binnen de context van het Digitaal Archief. Het instituut gebruikt nog geen systeem voor wereldwijd unieke persistent identifiers. Er wordt gewerkt aan een pilot die de invoering daarvan (v.a. 2017) moet voorbereiden.

Elke in het Archief gedeponeerde dataset krijgt automatische een Digital Object Identifier (DOI) en een URN:NBN identifier toegewezen om de vindbaarheid en duurzame verwijzingen mogelijk te maken.

Wanneer de medewerkers van het Archief de dataset vervolgens hebben verwerkt en deze is geaccepteerd door het Archief, wordt de dataset gepubliceerd en de Licentieovereenkomst aan de depositeur gezonden samen met de unieke persistent identifier die door het systeem van het Archief is gegenereerd.

De waarborg dat elke wijziging in de gepreserveerde versie van alle onderdelen van een dataset correct wordt gedocumenteerd, is van integraal belang voor de authenticiteit van elke dataset. Het Archief maakt onderscheidt tussen twee vormen van wijziging na opname:

  • Nieuwe versie en daarom een nieuwe dataset: bij een wijziging in de data.
  • Kleine wijziging: bij een wijziging in metadata, beschrijvende documenten of aanvullende bestanden.


Een nieuwe versie wordt gedeponeerd als nieuwe dataset en ontvangt daarom een eigen persistent identifier. De nieuwe en de voorgaande dataset bevatten kruisverwijzingen naar elkaar in hun respectieve beschrijvende metadata. Wanneer er sprake is van een kleine wijziging, wordt deze gedocumenteerd in de administratieve metadata en wordt er geen nieuwe persistent identifier gegenereerd.